De legende van het doopvont
De verering van Redbad en het antichristelijke sentiment moeten hardnekkig zijn geweest. Een bijzonder spoor hiervan is bij recent tekstonderzoek aan het licht gekomen. In de achtste eeuw circuleerde er een lied over Redbad, waarin werd bezongen dat hij zich heel bewust niet liet dopen tot christen, maar koos voor het Walhalla. Helaas is de tekst van dat lied niet bewaard gebleven. De kerk zag zich in elk geval wel genoodzaakt iets tegen dit verhaal te doen. Dat gebeurde door de inhoud van het lied om te werken en op te nemen in een heiligenleven, het leven van de heilige Wulfram. Wulfram was een Frankische missionaris die ook in Frisia had gewerkt.
In dit heiligenleven staat de beroemde scène waarbij een zieke Redbad klaar staat om zich te laten dopen, maar op het laatste moment aan Wulfram vraagt of hij na de dood zijn voorouders nog zal zien. De geestelijke legt uit dat die voorouders als ongelovigen verdoemd zijn en dus niet in de hemel komen. Redbad trekt zijn voet weer uit de doopvont en verklaart dat hij dan liever verdoemd is in het gezelschap van zijn voorouders. Een krachtig antichristelijk statement, dat in het heiligenleven in een christelijke mal werd gezet.
De auteurs wilden vooral laten zien dat Redbads keuze voor zijn oude geloof een dwaling was, en probeerden zo de legende rond de koning te ontkrachten. De ironie is dat wij juist daardoor vandaag de dag nog kennis kunnen nemen van de inhoud. En die is wel heel bijzonder, nog los van alles wat er over Redbad staat. De tekst bevat namelijk ook de oudste vermelding ter wereld van het hiernamaals zoals de voorchristelijke bewoners rondom de Noordzee dat zagen. Een hiernamaals in de vorm van een gouden hal, die paste bij een grote koning.
Uit de Vita Wulframni:
‘Toen hij onderricht werd om het doopsel te ontvangen, vroeg de vorst Redbad aan de vrome bisschop Wulfram, terwijl hij hem verplichtte door een eed in de naam van de Heer, waar er meer koningen, vorsten en edelen van het Friese volk zouden zijn; namelijk in dat hemelse gebied, dat hem in het vooruitzicht gesteld was als hij zou geloven en gedoopt worden, of in dat gebied dat Wulfram de helse verdoemenis noemde. Toen zei de vrome Wulfram: "Vergis u niet beroemde vorst, bij God staat het aantal van zijn uitverkorenen vast. Want het is zeker dat uw voorgangers, de vorsten van het Friese volk, die zonder het sacrament van het doopsel gestorven zijn, de straf van de verdoemenis ontvangen hebben. Wie echter vanaf nu gelooft en gedoopt wordt, zal zich met Christus verheugen in de eeuwigheid." Toen de ongelovige hertog dit hoorde - hij was al naar de doopvont gegaan - trok hij, zoals verteld wordt, zijn voet uit de vont terug, zeggende dat hij het gezelschap van zijn voorgangers, de Friese vorsten, niet kon missen om met een klein aantal armoedigen in dat hemelse rijk te verblijven. Verder zei hij, dat hij niet makkelijk instemming kon geven aan de nieuwe leer, maar liever trouw bleef aan dat, wat hij zo lang samen met het hele Friese volk in acht had genomen. Maar de vrome bisschop van Christus zei: "Ach, welk een smart, ik zie dat u bedrogen bent door de verleider, die het menselijk geslacht bedrogen heeft! Maar tenzij u boete doet en gelooft, en in de naam van de heilige drieëenheid gedoopt wordt, zult u de poort van het eeuwige koninkrijk niet binnengaan, maar gestraft worden met de eeuwige verdoemenis." Toen de vrome bisschop dit zei en onderrichtte, geloofden vele Friezen en lieten zich dopen, maar de koning volhardde in het heidendom.’
Terwijl Redbad ziek is en op zijn sterfbed ligt krijgt hij een visioen.
‘Er moet niet voorbijgegaan worden aan de reden, van hertog Redbad waarover we gehoord hebben, verteld door de eerbiedwaardige priester Ovo, waarom hij niet in Christus wilde geloven en ondergedompeld worden in de bron van de wedergeboorte. Want nadat hij ziek was geworden, waardoor hij het licht van het huidige leven sloot en afdaalde naar de eeuwige schaduwen van de onderwereld, verscheen aan hem, toen hij ingeslapen was, de duivel, de bedrieger der mensen. Deze had zich met toestemming van God als engel van het licht verkleed, het hoofd bedekt met een gouden diadeem met flonkerende edelstenen en het lichaam omhuld met een met goud doorweven gewaad. Nadat de vorst lange tijd versteld had gestaan, richtte hij verbaasd en bevend de aandacht nauwkeurig op de verschijning, zich afvragend van welk karakter en van welke kracht de boodschapper was, die zich aan hem vertoonde. En hij, de woeste draak die op velerlei wijzen schaadt, zei tegen Redbad: "Zeg me, vraag ik je, oh sterkste van de mannen, wie je zo verleid heeft, dat je wilt afzien van het vereren van de goden en van de religie van je voorvaderen? Ik bezweer je het niet te doen, maar bij die dingen te blijven, waaraan je je tot nu toe hebt gehouden bij het vereren van de goden, en je zult gaan naar gouden huizen die eeuwig blijven bestaan, die ik je binnenkort zal geven, om mijn eerlijkheid te bewijzen. Vraag daarom als je morgen Wulfram, de leraar van de Christenen ontbiedt, aan hem, waar wel niet dat verblijf van eeuwige helderheid mag zijn, waarvan hij jou belooft dat jij het in de hemel zult bezitten, als je de christelijke leer aanneemt. En laten beide partijen gezanten sturen, wanneer hij het niet kan aantonen, en ik zal de gids zijn, en dat verblijf van ontzettende schoonheid en enorme schittering laten zien, dat ik je binnenkort zal geven." Toen Redbad ontwaakte, vertelde hij alles aan de vrome bisschop Wulfram, alle dingen op een rijtje.’
Wulfram verzucht en probeert Redbad uit te leggen dat dit volgens hem de duivel is. Hij vroeg hem naar het doopvont te komen maar Redbad weigerde.
Zo stierf de man, maar bleven de verhalen rondzingen over Redbad, de legendarische koning.